hinkepinken

Betekenis

werkwoord
  1. mank lopen
    Winnaars zijn zwevers. Losers hinkepinken. En het toeval is de grote kampioenenmaker.
    De cabaretier vroeg wat er met haar knie gebeurd was. "'Het is niks', zei ze in krampachtig Vlaams en hinkepinkte zich uit de voeten. Ik keek haar een beetje beledigd na omdat ik vond dat ze nogal uit de hoogte deed."
  2. met één been springen

Etymologie

* uit het Frans