hippelen
/ˈhɪpələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) zich met herhaalde sprongetjes voortbewegenDe kalveren hippelen en springen als zij weer de wei in mogen.
Etymologie
**van het Middelnederlands "hippelen"; kan worden gezien als (freqtt) hippen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek