hiv

onzijdig (het)/hɪf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. virussen, medisch (virussen) (medisch) menselijk immuundeficiëntievirus, de soort die aids kan veroorzaken
    Hiv is een snel muterend retrovirus en is tevens verantwoordelijk voor het syndroom aids.
    Zij zei dat dit prikgaatje bijna niet anders dan van een naald kon komen. Ik ben meteen getest op hiv en hepatitis, alleen moet je daar na drie maanden voor terugkomen. Dat was stressvol, want ik dacht dagelijks: zou ik nu ziek zijn?

Etymologie

*(letterwoord) of (initiaalwoord) van "HIV" voor Human Immune Deficiency Virus, in de betekenis van ‘virus dat aids veroorzaakt’ voor het eerst aangetroffen in 1989

Vertalingen

EngelsHIV
FransVIH
DuitsHIV
SpaansVIH