hockey

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
    Tijdens het spelen van hockey gebruikt men een gekrulde stok..

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘veldsport’ voor het eerst aangetroffen in 1892

Vertalingen

Engelshockey
DuitsHockey
Spaanshockey
Zweedshockey