hoefdier
onzijdig (het)/ˈhuvdir/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) benaming voor een groot, viervoetig, meestal plantenetend zoogdier dat (vaak zeer harde) voortdurend doorgroeiende hoeven bezit
Etymologie
*, in de betekenis van ‘hoefdragend zoogdier’ aangetroffen vanaf 1921
Vertalingen
Engelsungulate
Fransongulé
DuitsHuftier
Spaansungulado
Poolskopytne
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek