hoen

onzijdig (het)/hun/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hoendervogels (hoendervogels) benaming voor vogels uit de orde , van meest op de grond levende vogels
  2. landbouw (landbouw) bepaald soort vogel, , door mensen gehouden om de eieren en het vlees

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "hoen" van Oudnederlands "huon", in de betekenis van ‘hoendervogel’ voor het eerst aangetroffen in 1279

Vertalingen

Engelslandfowl
DuitsHühnervogel