homerun

mannelijk (de)/ˈhomrʏn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) honkbal en softbal: wanneer een slagman de bal zodanig slaat, dat hij in dezelfde beurt alle vier de honken kan passeren en zodoende zelf een punt kan scoren
    De slagman sloeg de bal ruim over de hekken en kon dus op zijn gemak zijn homerun uitwandelen.

Etymologie

uit het Engels home en run

Vertalingen

Engelshome run
Spaanshome run