homerun
mannelijk (de)/ˈhomrʏn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (sport) honkbal en softbal: wanneer een slagman de bal zodanig slaat, dat hij in dezelfde beurt alle vier de honken kan passeren en zodoende zelf een punt kan scorenDe slagman sloeg de bal ruim over de hekken en kon dus op zijn gemak zijn homerun uitwandelen.
Etymologie
uit het Engels home en run
Vertalingen
Engelshome run
Spaanshome run
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek