homofilie

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lhbt, verouderd, eufemisme (lhbt) (verouderd) (eufemisme) romantische of seksuele voorkeur voor mensen van hetzelfde geslacht
    Op de vraag wat hij van homofilie vindt, zegt de voormalig speler van ook ADO in het boek ’einde aan de bullshit’: ,,Nee, ik omarm het niet, ik distantieer me ervan. Ik neem afstand omdat ik er liever niet mee wordt geassocieerd.’’
    Daarbij vraag ik mij af: Wat was er dan zo aanstootgevend, dat er gewelddadig werd opgetreden? Deed het hand in hand lopen voor deze Noord-Afrikaanse jongeren al een vermoeden rijzen, dat er sprake was van homofilie? Was dit dan vervolgens de trigger voor hen?
    Als we ons er aan wennen om vanaf dit ogenblik uitsluitend te spreken van homophielen en homophilie dan schieten we in de grote weerstandschans een belangrijke bres, waardoor het moeizame werk van voorlichting en begripverwerving een sneller opmars zal maken.

Etymologie

* van "homophilie", in het Nederlands geïntroduceerd vanaf 1949 (zie vindplaats hieronder)

Vertalingen

Engelshomosexual, homosexuality, homophilia