hondenwacht
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhɔndə(n)ˌwɑxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) taak om tussen 0:00 en 04:00 over een schip te wakenHij vertelt over de keer dat hij de Hudsonbaai invoer. „Het was vlak bij de Noordpool. Ik was zestien, maar de stuurman gaf je een gulden als je zijn hondenwacht wilde lopen, ’s nachts van 12 tot 4. Die wilde liever kaarten.
- (figuurlijk) bij toerbeurt verrichte nachtelijke dienst om toezicht te houdenDe jongste leden van de teams draaien op voor de hondenwachten op de gang van onze hotelkamers waar zij de nacht rokend en zoete thee drinkend doorbrengen.Dit is echter een koude nacht. Een surveillancewagen op hondenwacht met twee dienders erin houdt vanaf honderd meter in.
zelfstandig naamwoord
- (beroep) overheidsfunctionaris die er in de openbare ruimte op toeziet dat hondenbezitters zich aan de voorschriften houdenDe hondenwachten treden op als ze honden zien poepen op plaatsen waar het niet hoort en hij kan controleren of de baas hondenbelasting betaalt. "Ik denk dat Vlissingen te klein is voor een hondenwacht met bekeuringsbevoegdheden. (…)"
Etymologie
**(f)/(m): omdat men op het land de bewaking 's nachts aan een waakhond overlaat
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek