hondsdolheid
vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch), (diergeneeskunde) virusziekte die het meest bij honden voorkomt (maar ook bij vossen, katten, apen en vleermuizen)) en door een beet op de mens kan worden overgedragen."160 doden per dag door hondsdolheid" [http://www.nu.nl/gezondheid/4032791/160-doden-per-dag-hondsdolheid.html www.nu.nl]
Etymologie
*afgeleid van hondsdol
Vertalingen
Engelsrabies, hydrophobia
Fransrage
DuitsTollwut
Spaansrabia, hidrofobia
Portugeesraiva
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek