honingkoek

mannelijk (de)/ˈhonɪŋˌkuk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kookkunst (kookkunst) gebak met honing als ingrediënt dat de smaak bepaalt
    Manna, leerden de Israëlieten, die hier volgens het bijbelse verhaal langs kwamen op weg naar het beloofde land: „Het leek op korianderzaad, maar dan wit en het smaakte naar zoete honingkoek.”