hoofdplaats
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhof(t)plats/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (regering) de belangrijkste plaats van een gebied, in het bijzonder de vestigingsplaats van het bestuur van een bepaald gebied (land, staat, deelstaat, kanton, provincie, district, gemeente en dergelijke)Den Burg is de hoofdplaats van Texel.
- meer in het algemeen een belangrijke plaatsKent en Sussex waren de hoofdplaatsen van de ijzerindustrie.
Vertalingen
DuitsHauptort
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek