hoofdplaats

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhof(t)plats/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. regering (regering) de belangrijkste plaats van een gebied, in het bijzonder de vestigingsplaats van het bestuur van een bepaald gebied (land, staat, deelstaat, kanton, provincie, district, gemeente en dergelijke)
    Den Burg is de hoofdplaats van Texel.
  2. meer in het algemeen een belangrijke plaats
    Kent en Sussex waren de hoofdplaatsen van de ijzerindustrie.

Vertalingen

DuitsHauptort