hooimijt

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) opslagplaats voor hooi zonder overkapping
    In het kamp had mijn vader vaak erudiete mensen ontmoet. Zulke was hij nergens meer tegengekomen. Sommigen schreven gedichten en die overleefden vaker. Net als priesters, die hun gebeden zeiden. Mijn vader wilde dat al zijn kinderen doorleerden. Dat was zijn droom. En alle vier hebben we een instituut afgemaakt. Maar hij leerde ons ook achter de ploeg lopen en gras maaien met de zeis. Ik kan hooi op een wagen steken en een hooimijt optassen. Alles kan nog van pas komen', vond mijn vader. En hij had gelijk.{{Aut | Aleksievic, Svetlana Aleksandrovna
    In Den Haag staat het cadeau dat prinses Juliana voor haar 2de verjaardag kreeg: een complete boerderij. Miniatuur, natuurlijk, maar zij was zelf nog maar zo klein dat ze nauwelijks boven het dak (90 centimeter hoog) zal hebben kunnen uitkijken. Op haar maat waren alleen de koeien, paarden en schapen, houten figuurtjes met vacht overtrokken. Inclusief duiventil, schuur, schaapskooi, hooimijt en waterput neemt het geheel al gauw een halve kamer in beslag. Haar ouders wilden dat ze ervan zou leren hoe het eraan toeging op het Kroondomein van het Loo. Erg veel gespeeld met de boerderij heeft de prinses niet; naar verluidt liet ze er haar poppen soms logeren als die ziek waren.Volkskrant HANNEKE DE KLERCK 22 november 2011

Etymologie

* In de betekenis van ‘stapel hooi’ voor het eerst aangetroffen in 1872

Vertalingen

Engelshaystack