Hoorn

mannelijk (de)/ˈhorᵊn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
    De koe had grote hoorns.
  2. uitwas die op een hoorn lijkt, bijvoorbeeld bij insecten
  3. gedraaide schaal van sommige weekdieren
    Zij vonden allerlei hoorns toen ze langs het strand liepen.
  4. een (elektro-) akoestische versterker, bijvoorbeeld het hoor- en spreekgedeelte van een telefoon
    Hij legde de hoorn direct neer nadat hij hoorde wie er aan de telefoon was.
  5. muziekinstrument (muziekinstrument) blaasinstrument dat oorspronkelijk gemaakt werd van een hoorn, maar tegenwoordig vaak van een gewonden koperen buis met ventielen, en een brede klankbeker
    Wij kunnen wel aardig op de hoorn spelen.
zelfstandig naamwoord
  1. stof waaruit de hoorns van bepaalde dieren bestaan
    Bestaan hoorns werkelijk uit hoorn?

Etymologie

**[5] in de betekenis van ‘blaasinstrument’ aangetroffen vanaf 1300

Uitdrukkingen

  • de koe bij de hoorns vatten

Vertalingen

Engelshorn