hort
mannelijk (de)/hɔrt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- plotselinge beweging
- weg
Etymologie
* In de betekenis van ‘korte stoot’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Uitdrukkingen
- de hort op zijn — aan de zwier zijn, uitgaan waarbij vaak alcohol gebruikt wordt
- met horten en stoten — met schokken vooruitgaan
- hort sik — aanmoediging om een paard te laten lopen
Vertalingen
Engelsshake
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek