horzel
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhɔrzəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tweevleugeligen) benaming voor een groep middelgrote tot grote, stevige, niet stekende vliegen uit de familie en waarvan de larven parasiteren op zoogdieren (paarden, runderen, schapen).
- (vliesvleugeligen) hoornaar
Etymologie
*(erfwoord): Middelnederlands horsel(e), ontwikkeld uit Oergermaans *hursla-, door r/l-wisseling bij Indo-Europees *ḱr̥h₂sro- ‘hoornaar’, waartoe ook Latijn crābrō, Litouws širšė, širšuõ en Russisch šéršenʹ behoren.
Vertalingen
Engelsbotfly
Fransœstre
DuitsDasselfliege
Spaansestro, éstrido
Italiaansestro
Portugeesmosca-varejeira, mosca-berneira
Russischо́вод
Poolsgiez
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek