hotelkamer

mannelijk/vrouwelijk (de)/hoˈtɛlkamər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een kamer die voor gasten per nacht te huur is in een hotel
    Hij had een prachtige hotelkamer met een riant uitzicht op de Golf van Mexico.
    De kamer was perfect, niet omdat het een perfecte hotelkamer was, maar juist daarom.
    Ik verlangde enorm naar de veiligheid van een eigen hotelkamer, waar ik kon bijkomen met de gordijnen dicht en ontspannen in een schoon bed.

Vertalingen

Engelshotel room
Franschambre d'hôtel
DuitsHotelzimmer
Spaanscuarto de hotel, habitación de hotel