houden

/ˈhɑudə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
    Hij hield het huis, maar zij kreeg de kinderen bij de echtscheiding.
    Een voor een begonnen we grappen en verhalen met elkaar te delen om de moed erin te houden.
  2. huisdieren verzorgen
    Piet hield kleurkanaries.
  3. het ~ met een verhouding hebben met iemand
    Hij hield het met zijn dienstmeid.
  4. het ~ op concluderen tot iets
    De politie hield het op een inbraak, maar later bleek dit onjuist.
  5. refl (refl) zich ~: de schijn aannemen van wat genoemd wordt

Etymologie

*Afkomstig van *holden old => oud met verlies van de l in de tegenwoordige tijd en het voltooid deelwoord

Uitdrukkingen

  • een oogje in het zeil houden
  • in de gaten houden
  • houden van
  • zich sjakes houden
  • De teugels in handen houdende leiding houden, de baas blijven
  • De touwtjes in handen houden.de leiding houden, de baas blijven
  • De vinger aan de pols houdenin de gaten houden of alles goed gaat
  • Een herinnering levend houden.zorgen dat je iets niet vergeet

Vertalingen

Engelskeep
Franstenir
Duitsbehalten, halten, halten