houting
mannelijk (de)/ˈhɑutɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (straalvinnigen) bepaald soort zoutwatervis, , die in zoetwater paait, inheems in de Benelux
Vertalingen
Engelshouting, whitefish
Fransoutil, corégone
DuitsSchnäpel, Gangfish
Deenssnæbel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek