houtluis
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhɑutlœys/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) benaming voor verschillende soorten insecten die hout eten, zoals , of de larven van{{ouds
- (Suriname) termiet, insect uit de ordeDe eigenaar had verzuimd het gebouw te onderhouden en gaf daarmee de natuurelementen, houtluizen en ander ongedierte alle ruimte om een stukje koloniaal verleden te vernietigen.
- bijnaam voor een timmermanIk hield vast aan de gedachte dat het een totaalboek moest worden. Alle materialen moesten aan de orde komen. Dat kostte mij hoofdbrekens, want ik ben smal opgeleid. Vroeger kende de technische opleiding twee richtingen: timmeren en metaalbewerken. Je was gewoon een houtluis of een roestkrabber. Nu moest ik mij zo breed mogelijk oriënteren.
Vertalingen
Engelsdeathwatch beetle, wood louse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek