huisbewaarder
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die in een huis woont als de eigenaar afwezig is om het te bewaken en te onderhoudenNatuurlijk, dat is goed, zei de graaf verstrooid. Maar daar gaat het nu niet om, en ik verzoek je je niet met dat soort futiliteiten bezig te houden, ga liever helpen met pakken, morgen gaan we, morgen gaan we weg... De graaf gaf dezelfde orders aan de huisbewaarder en het personeel. Tijdens de maaltijd vertelde de teruggekeerde Petja het laatste nieuws.{{Aut | Tolstoj, L.N.
- conciërgeBij ons overleggen we zoiets eerst. Kinderen horen het netjes te vragen. Sorry, maar het is gewoon asociaal zoals Max zich gedraagt. En dan dat gedoe met die huisbewaarder. Dat zou ik nooit goed vinden. Verschillen zijn er om gerespecteerd te worden. Ik kan me niet voorstellen dat Simon dat plezierig zou vinden.'{{Aut | Winter, Julian
Vertalingen
Engelscaretaker
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek