huisbewaarder

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die in een huis woont als de eigenaar afwezig is om het te bewaken en te onderhouden
    Natuurlijk, dat is goed, zei de graaf verstrooid. Maar daar gaat het nu niet om, en ik verzoek je je niet met dat soort futiliteiten bezig te houden, ga liever helpen met pakken, morgen gaan we, morgen gaan we weg... De graaf gaf dezelfde orders aan de huisbewaarder en het personeel. Tijdens de maaltijd vertelde de teruggekeerde Petja het laatste nieuws.{{Aut | Tolstoj, L.N.
  2. conciërge
    Bij ons overleggen we zoiets eerst. Kinderen horen het netjes te vragen. Sorry, maar het is gewoon asociaal zoals Max zich gedraagt. En dan dat gedoe met die huisbewaarder. Dat zou ik nooit goed vinden. Verschillen zijn er om gerespecteerd te worden. Ik kan me niet voorstellen dat Simon dat plezierig zou vinden.'{{Aut | Winter, Julian

Vertalingen

Engelscaretaker