woorden
boek
Start
›
H
›
huisbewoner
huisbewoner
mannelijk (de)
/ˈhœyzbəˌwonər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
persoon die niet in een woonwagen woont maar in een huis
persoon die in een bepaalde woning woont
Verwante woorden
huis
huis aan huis
huis ter heide
huis van oranje
huis van oranje-nassau
huis van saksen-coburg
huis-aan-huisactie
huis-aan-huisblad
huis-aan-huisbladen
huis-aan-huiscollecte
huis-aan-huisverkoop
huis-aan-huisverkoper
Bron:
OpenTaal
&
WikiWoordenboek
← huisbewaarsters
huisbewoners →