huisfilosoof

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de lokale wijsgeer die verbonden is aan een programma of familie
    Hij grijnst. 'Behalve kunstschilder ben ik huissloof en huisfilosoof.'
    Verder in de podcast met mooiste gesprekken uit het Oog van deze week: het NK Glazenwassen, het veelbewogen leven van zeehondenredder Lenie 't Hart en huisfilosoof Hans Schnitzler schijnt zijn licht op de Zwarte Pieten-discussie. De samenleving is volgens hem veranderd in een 'emocratie'.