huishoudster

vrouwelijk (de)/ˈhœyshɑutstər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, huishouden (beroep), (huishouden) vrouw die andermans huishouden verzorgt

Etymologie

* van huishouden

Vertalingen

Engelshousekeeper
DuitsHaushälterin
Spaansama de llaves
Zweedshushållerska
Deenshusholderske