huiskamerdeur

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de deur tussen de huiskamer en de rest van de woning
    Sinds Pinksteren heb ik de huiskamerdeur nog geregeld open zien en horen springen onder de lichte druk van Tonio's vinger.
    Even dwalen mijn gedachten af naar een half geverfde huiskamerdeur thuis, een ov-chipkaart in een broodtrommel en een slaapkamer die er regelmatig uitziet als een ontplofte kledingwinkel.