huiskring

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleine groep gelovigen die een deel uitmaken van een gemeente
    Alle gemeenteleden zijn lid van een huiskring, die eenmaal in de twee weken bij elkaar komt voor gebed en bijbelstudie en vaak ook een maaltijd. Daarnaast draaien er ook tal van etnische groepen. „Op die manier maak je mensen verantwoordelijk voor elkaar”, zegt Visser. „Eigenlijk is samen naar de kerk de beste vorm van multiculturele integratie: je hebt dan een gemeenschappelijke basis.” NRC 15 maart 2007 [https://www.nrc.nl/nieuws/2007/03/15/samen-naar-de-kerk-integreert-11291386-a1281208 Samen naar de kerk integreert]
  2. de huiselijke kring
    Na de lunch bezoeken we een paar andere vrijwilligsters bij hen thuis. De gelegenheid om eens binnen te kijken in de Nicaraguaanse huiskamer en te zien in welke omstandigheden velen van hen leven. Opnieuw zijn we getroffen door de openheid van deze mensen die ons zonder enige terughoudendheid toelaten in de intieme huiskring. De Standaard 29/09/2012 door Mieke Vandenbussche [http://www.standaard.be/cnt/dmf20120929_031 Zonder solidariteit zouden vrouwen hier het niet trekken]