huizenkant
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de bebouwde kant van een wegDragend de blinkende bril stapte Jaap in zijn smoeselig pakje, ten tweede maal de koepels langs, aan de huizenkant blijvend, de groote gevels en stallen langs waar klanten woonden van de baas.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek