huur

mannelijk/vrouwelijk (de)/hyr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch (juridisch) het tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
  2. geldbedrag waarvoor men huurt

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands hūre, ontwikkeld uit Oergermaans *hūzjō-, deverbatief van het w.w. *hūzjan-; zie verder huren. Evenals Nederduits Hüür, Fries hier en Engels hire.

Uitdrukkingen

  • Te huur!

Vertalingen

Engelsrental, lease
Fransbail à loyer, location
DuitsMiete
Spaansalquiler
Italiaanslocazione
Portugeesaluguer, aluguel
Turkskira
Zweedshyra