ijshockeyen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. sport (sport) de ijssport ijshockey beoefenen
    De schooldag ging snel voorbij, zoals ik het me herinner hadden we niets anders gedaan dan een beetje ijshockeyen voordat het tijd was om naar huis te gaan.
    Hij gaat morgen ijshockeyen.