impuls

mannelijk (de)/ɪmˈpʏls/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. innerlijke drang, opwelling bijv. een driftimpuls, dwangimpuls
    Meestal wint de ratio het over de dierlijke impuls.
  2. natuurkunde (natuurkunde) een vector wiens lengte gelijk is aan het product van massa en snelheid
  3. stimulering, een duw in de rug bijv. een groei-impuls, kwaliteitsimpuls
    Dalende olieprijzen zouden de Nederlandse economie een positieve impuls kunnen geven.
  4. elektrotechniek (elektrotechniek) kortstondige elektrische spanning of stroom (de ideale puls is oneindig kort en heeft een energieinhoud van één)
  5. medisch (medisch) wat door een zenuw als gevolg van een prikkel overgebracht wordt, zenuwprikkel

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘prikkel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847

Vertalingen

Engelsimpulse, access, momentum
Fransimpulsion, incitation, quantité de mouvement
DuitsAntrieb, Auftrieb, Impuls
Spaansimpulso, instinto, cantidad de movimiento
Italiaansquantità di moto
Portugeesmomento linear
Russischимпульс, Импульс
Chinees动量
Japans運動量
Koreaans운동량
Arabischزخم الحركة
Turksmomentum
Poolspęd
Zweedsrörelsemängd
Deenstilstrømning, løft, impuls