ingangspoort

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɪŋɣɑŋˌsport/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. Met deuren afsluitbare ingang van een woning of gebouw
    ' 'Jullie zijn beesten! Koudbloedige moordenaars! Die daarbuiten zullen het te weten komen!' Mia wijst in de richting waar ze de ingangspoort van de gevangenis vermoedt.