inspreken

/ˈɪnsprekə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) door praten een overtuiging bewerkstelligen
    De trainer had hen voor de wedstrijd nog moed ingesproken.
  2. ov (ov) via een microfoon een geluidsopname vastleggen
    Hij had een kort bericht ingesproken.
  3. tweede betekenisomschrijving
    Zin met het inspreken in de tweede betekenis erin.
  4. enz.