installeren
/ˌɪnstɑˈlerə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) in een positie brengen waarin voortaan een bepaalde functie kan worden vervuldDaardoor kwam de verantwoordelijkheid voor het huis en het land ook grotendeels neer op de schouders van de kamerheer. Geoffrey Poke had zich al stevig geïnstalleerd aan de top van de hiërarchie van de bedienden toen Emont lord werd, en de combinatie van Geoffreys zucht naar macht en Emonts desinteresse gaf hem de gelegenheid om zijn positie verder uit te breiden.
- (ov), (informatica) een computerprogramma op de computer zetten en voor gebruik gereedmakenHij wist niet hoe hij het nieuwe computerprogramma moest installeren.
- (ov), (techniek) plaatsen van toestellen, het daarop aansluiten van geleidingen zodat een praktisch bruikbare inrichting wordt verkregenDe installateur is bezig met het installeren van de verwarmingsinstallatie.
- zich gereed maken om ergens te verblijvenHoewel ik er vaak was geweest en de klinkende namen van Titiaan en Tintoretto achteloos door soireetjes had laten rollen, hoewel ik geroutineerd in mijn krant bleef lezen terwijl de vuurrode hogesnelheidstrein mij over de landverbinding van Mestre naar de oude stad bracht en veelbetekenend begon af te remmen, en hoewel ik mij had voorgenomen om mijn entree in de stad met een praktische instelling te benaderen en enige eventuele beroering van het gemoed uit te stellen totdat ik goed en wel was geïnstalleerd, moest ik even naar adem happen toen ik het station uit liep en het breekbare, pastelkleurige cliché van de stad aan het groene water zich onbekommerd en schijnbaar onschuldig voor mij ontvouwde.
Etymologie
*van "installer" (), in de betekenis van ‘inrichten, bevestigen (in een ambt)’ voor het eerst aangetroffen in 1691
Vertalingen
Engelsinstall, install, install
Fransinstaller, installer, installer
Duitseinweisen, installieren, installieren
Spaansinstalar, instalar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek