juf

vrouwelijk (de)/jʏf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onderwijs, informeel (onderwijs), (informeel) lerares van een lagere school of peuterklas
    Dat mochten we niet van de juf.
    Kaspar kwam zuchtend uit de peuterklas en zei: we moesten weer zo hard werken van de juf!.
  2. jonge vrouw, meisje
    Ja, dat is een leuk juffie geworden.
    Regering van Suriname gaat niet door de knieën voor jufje Herfkens.