meester

mannelijk (de)/ˈmestər/

Wat is de betekenis van meester?

meester betekent: iemand die macht en gezag heeft

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die macht en gezag heeft
  2. iemand die iets onder controle heeft
  3. iemand die uitblinkt in een bepaalde vaardigheid, virtuoos
  4. beroep, onderwijs (beroep) (onderwijs) een onderwijzer met name op een lagere school
  5. iemand die het doctoraal examen in de rechtsgeleerdheid heeft afgelegd
  6. iemand die door het maken van een proefstuk de bevoegdheid had gekregen om zelfstandig zijn ambacht uit te oefenen
  7. onderofficier bij de marine, één rang lager dan meester-chef en gelijk aan 1e sergeant bij de landmacht, de luchtmacht en de medische dienst
  8. seksualiteit (seksualiteit) meerdere in een sadomasochistische relatie
  9. techniek, informatica (techniek) (informatica) deel van een meester-slaaf element

Voorbeelden van "meester" in een zin

  • Hij is hier heer en meester over.
  • Harald lag onder de deken met een zaklamp en las met bonkend hart. 'De loopgravenstrijd is de bloedigste, wildste en wreedste van alle veldslagen. Er stonden mannen in op die de situatie meester waren, onbekende, onverschrokken krijgers.
  • Met dit schilderij toonde hij zich een waar meester.
  • Maar tegelijkertijd zijn de lijnen van uw dieren zeer uitgewerkt, alsof ze zijn geschilderd door een meester uit de renaissance, met een realistische toets - en het feit dat u met olie op hout heeft gewerkt, vergroot dat gevoel van traditie.
  • De meester van Trail Magic was Coppertone, die ik meer dan acht keer ben tegengekomen tussen Mexico en Canada.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘onderwijzer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236

Vertalingen

Engelsmaster
Fransmaître
DuitsMeister
Spaansamo, dueño, jefe
Poolsmistrz