kaarsenhouder

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voorwerp waarin men een kaars kan laten branden
    'Dat gaat dus niet gebeuren, Josta,' zegt ze, terwijl ze in een snelle reflex mijn arm grijpt, me de kaarsenhouder afhandig maakt en me tegen de muur smijt.