kaas

mannelijk (de)/kas/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
    Veel Nederlanders eten vaak kaas.
    Gelukkig zou de trail binnenkort een weg kruisen waarlangs ik het legendarische ‘Paradise Café’ kon bereiken. Daar werden de ‘Best Burgers in the World’ geserveerd, stond in een commentaar in de Guthook App. Al dagen fantaseerde ik wat ik zou gaan bestellen: een dubbele hamburger met kaas, augurken en ketchup en hopelijk hadden ze ook mayo voor bij de friet.
    Tijdens deze tochten kun je elke avond in een van de Italiaanse berghutten slapen met voortreffelijk Italiaans eten en met een keuze uit 25 lokale kazen voor in je lunchpakket.
  2. hoeveelheid kaas in de vorm waarin die gewoonlijk gemaakt of verhandeld wordt
    Hij kon de grote kaas maar met moeite op de plank tillen.
  3. verkorting (verkorting) kaassoort bepaalde variant van kaas
    Kaas uit Gouda is wereldberoemd.
  4. gang van een diner bestaande uit een plankje met verschillende kaasje
    'Voor mij is een fatsoenlijke maaltijd: entree, plat, kaas, dessert', zegt Frédéric Deidier (49), terwijl hij enthousiast op zijn enorme buik kletst.
  5. scheldwoord (scheldwoord) blanke Nederlander
    Dat snapt zo'n domme kaas toch niet.

Etymologie

*[2] mogelijk verkorting van kaaskop of naar analogie van "fromage blanc"

Uitdrukkingen

  • zich de kaas niet van het brood laten eten
  • ergens geen kaas van gegeten hebben
  • ergens geen kaas van kunnen maken

Vertalingen

Engelscheese
Fransfromage
DuitsKäse
Spaansqueso
Italiaansformaggio
Portugeesqueijo
Russischсыр
Japansチーズ
Turkspeynir
Poolsser
Zweedsost
Deensost