Kamer
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkamər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een van de rest door muren afgescheiden deel van een huis met een eigen functieDit alles zou ik geneigd zijn positief te beoordelen. Daar staat echter tegenover dat deze vaas met plastic bloemen reden geeft tot zorgen met betrekking tot de affiniteit die de nieuwe eigenaar heeft met onze tradities. Maar ik wil u niet met mijn bekommeringen vervelen. We zijn er. Dit is kamer 17, de suite die ik voor u op orde heb laten brengen.De sfeer was altijd opgewekt, maar al snel ging iedereen over tot de orde van de dag en vertrok naar zijn of haar kamer om huiswerk te maken en ‘écht’ belangrijke mensen te bellen over de laatste drama’s op school.
- (juridisch) onderdeel van een rechtsprekend orgaan dat over bepaalde zaken uitspraken doetDe meervoudige kamer bestaat uit drie rechters die gezamenlijk meer ingewikkelde zaken behandelen.
Etymologie
*Afkomstig van het Middelnederlandse cāmere, uit Laatlatijn camera, ontleend aan Oudgriekse καμάρα (kamára) ‘huifwagen, gewelfde kamer’.
Vertalingen
Engelschamber, room
Franschambre
DuitsZimmer, Raum, Gemach
Spaanscuarto, habitación
Poolspokój
Deensrum
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek