kameraad

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vriend; makker; maat; (in overdrachtelijke zin): in de oorlog en nadien in het communisme ook gebruikt als aanduiding voor gelijkgestemde, i.c. lid van de NSB, vaak afgekort tot Kam., of de (communistische) Partij. Tegenwoordig nog wel sarcastisch gebruikt ter aanduiding van aanhanger van een totalitair regime.
    Samen met zijn kameraad René Eggink is hij voor dit interview teruggekeerd naar de plek waar de twee in november een man uit het kanaal redden.
    Je denkt aan Johan Svenske en de andere kameraden bij de bouw van de spoorweg?

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘makker’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1596

Vertalingen

Engelspal, buddy, companion
Franscamarade
DuitsKamerad
Spaanscamarada, compañero, compañera