kantkoek
mannelijk (de)/ˈkɑntkuk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) langwerpige stukken koek die over blijven als gebakken koek op de gewenste maat wordt gesneden en die apart worden verkochtOp het erf waren de koek-hakkers druk bezig en wij waren flinke afnemers van die verse kantkoek.De kantkoek is gedurende de kermis, bij minstens een pond, à 25 cts. verkrijgbaar.
- (voeding) soorten koek uit wat grover meel die bij het bakken dichter bij de rand van de oven liggen, terwijl fijnere soorten gebak meer in het midden liggen waar de verhitting gelijkmatiger isTegenwoordig is er een aparte bakvorm voor de kantkoek.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek