kantoor

onzijdig (het)/kɑnˈtor/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
    Hij ging gisteren weer naar kantoor om nog wat extra werkzaamheden uit te voeren.
    Maar na een week in de woestijn en 5.000 dollar lichter, zit je vaak gewoon weer op maandagochtend op kantoor in een vergadering over targets.
    ' Op een gegeven ogenblik moet ik het kantoor in Bread Street hebben verlaten en zijn teruggelopen naar het metrostation bij St Paul's.
  2. werkruimte met een of meer bureau's
    Ik herinner me dat hij zei: 'Tot een uur geleden was ze nog bij mij op kantoor.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans comptoir, in de betekenis van ‘werkvertrek, bureau’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1524

Uitdrukkingen

  • Aan het verkeerde kantoor zijnIemand die je niet kan helpen

Vertalingen

Engelsoffice
Fransbureau
DuitsBüro
Spaansoficina, despacho
Italiaansufficio
Poolsbiuro
Zweedskontor