kastijden

/kɑsˈtɛidə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. lijfstraf in uitvoering brengen
    Alle onderwijzers inclusief de fraters (frater Edgar een bijzonder populair man en frater Sebastiaan het hoofd van de school die de bijnaam had van barometer omdat hij je met een lat van anderhalve meter lengte placht te kastijden) waren nodig om mijn woedende oom eronder te krijgen.
zelfstandig naamwoord
  1. tijdstippen waartussen een kantoor de gelegenheid geeft voor transacties met contant geld
    Met ingang van 1 januari 2000 worden de kastijden in Den Bosch aangepast. De nieuwe openingstijden zijn dan van maandag tot en met vrijdag van 13.00 tot 15.30 uur.

Etymologie

*kástijden: "kastijd" met de uitgang -en

Uitdrukkingen

  • de Heer kastijdt wie Hij liefheeft