kastplank

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkɑstplɑŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plat langwerpig stuk hout waarop spullen kunnen worden gezet, als onderdeel van een bergmeubel
    Maar soms gebeurt het toch dat een plaat hout die je nog hebt staan net te breed is, dat een balkje net te lang is, of dat die lange kastplank eigenlijk veel nuttiger is als hij in drieën wordt gezaagd.