kastplank
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkɑstplɑŋk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- plat langwerpig stuk hout waarop spullen kunnen worden gezet, als onderdeel van een bergmeubelMaar soms gebeurt het toch dat een plaat hout die je nog hebt staan net te breed is, dat een balkje net te lang is, of dat die lange kastplank eigenlijk veel nuttiger is als hij in drieën wordt gezaagd.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek