kazakdraaier

mannelijk (de)/kaˈzɑɡdrajər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand zonder een eigen mening
    Weinig professoren duiken zo nadrukkelijk op in het maatschappelijk debat als Roger Blanpain. De professor arbeidsrecht van de KULeuven heeft zijn memoires neergeschreven. 'Het moest nu. Ik ben 76 en op weg naar de eeuwige jachtvelden.' Een professor moet altijd zijn mening zeggen. Dat is zijn motto. Koppig, tegendraads, ouwe zot, vakbondsvijand, kazakdraaier: er zijn hem veel eigenschappen toegedicht, fraaie en minder fraaie. De Standaard 11 OKTOBER 2008 (ty) [http://www.standaard.be/cnt/j621knb3 BLANPAIN IN VIER STELLINGEN]
    - ‘'t En is maar te knikken’, sprak de stoker, ‘de Minister wil in geen geval den brouwer aanstellen. Hij moet een gezet en ervaren man hebben, beweert hij, en ik kan hem geen ongelijk geven. Ik heb natuurlijk aan u gedacht en ik heb bij mezelf gezeid: de pachter kan even goed als wie ook in den raad over eene meerderheid beschikken - als hij Pessemier en zijne vrienden laat varen, zullen de drie leden der Mollenpartij in zijn schuitje springen. Wie zou 't niet doen?’- ‘Dan word ik een kazakdraaier?’ zei de Rijke.- ‘Neen, dan wordt ge burgemeester’, zei Demol. Isidoor Teirlinck (1918)– [tijdschrift] De Gids [https://www.dbnl.org/tekst/_gid001191801_01/_gid001191801_01_0013.php De leemen torens Kronijk van twee steden ]