kern

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkɛrᵊn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het meest belangrijke
    De kern van het verhaal was dat er bezuinigd moest worden.
    John Kelly is niet de enige voormalige hooggeplaatste medewerker van Trump die gelijkaardige uitspraken doet. Eerder al heeft Mark Milley, de toenmalige stafchef van het Amerikaanse leger, Trump "een fascist tot in de kern" genoemd.[https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2024/10/24/democratische-presidentskandidate-kamala-harris-vindt-dat-donald/ www.vrt.be (24 okt 2024)]
  2. het binnenste of midden
    In de kern van een pruim zit een pit.
    Aardwetenschappers hebben diep in het binnenste van de aarde, op de grens van kern en mantel, twee grote materieconcentraties gevonden met een afivijkende dichtheid.
    De 'schaduw' van het zwarte gat in de kern van de Melkweg heeft een middellijn van ruim vijftig miljoen kilometer - een derde van de afstand tussen de aarde en de zon.
  3. scheikunde (scheikunde) het uit protonen en neutronen bestaande inwendige van een atoom
    ' De dichtheid neemt in snel tempo toe, en in een fractie van een seconde na het begin van de ineenstorting heeft de sterkern een dichtheid van ruim 256 miljoen ton per kubieke centimeter, even groot als de materiedichtheid in de kern van een zwaar atoom.
  4. natuurkunde (natuurkunde) het centrale deel van een elektromagneet
  5. een kern van waarheid: iets van waarheid
    Naast het feit dat er zeker een kern van waarheid in hun reactie zat, verbaasde ik me vooral over de felle toon van hun afkeuring.

Etymologie

* In de betekenis van ‘binnenste, essentie’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

DuitsKern, Kern