kissebissen
/ˈkɪsəˌbɪsə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) langdurig een twistgeprek voerenZij zaten weer de hele tijd te kissebissen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘vitten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1784
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek