kleppen

/ˈklɛpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. een klappend geluid voortbrengen
    Hij hoorde zijn brievenbus kleppen.
  2. het geluid van een klepel tegen een klok voortbrengen
    De klokken klepten luid voor mij en Jimmy Boy.
  3. figuurlijk (figuurlijk) voortdurend blijven praten over onbelangrijke onderwerpen
    Het ging helemaal nergens over, maar ze bleef maar kleppen.

Etymologie

*: "klep" met de uitgang -en

Vertalingen

Deenshyggesnakke, sludre, småsnakke