klepper
mannelijk (de)/ˈklɛpər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) (geschiedenis) nachtwaker, die regelmatig zijn ronden liep en om te waarschuwen een kleppend geluid maakte met een daarvoor gemaakt voorwerp
- iets dat of waarmee men een kleppend geluid kan maken
- rijpaard, draver
- (schoeisel) houten sandaal
- iets bijzonder groots of opvallends, of iemand die iets buitengewoons doetDe viswinkel Het Viskraam in Merelbeke kreeg zaterdagmorgen een heel bijzondere bestelling binnen: een heilbot van ongeveer 150 kilo zwaar en 2,2 meter lang. “Het is de tweede keer in ons bestaan dat we zo een klepper binnenkrijgen”, zeggen de verkopers.
Etymologie
**[5] vooral gangbaar in Vlaanderen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek