klokken

Betekenis

werkwoord
  1. een tijd opnemen
    Zij klokte een tijd van 2:14:34,34.
  2. een geluid voortbrengen dat als "klok" klinkt
    De kippen klokten opgewonden.
    Het water klokte toen de luchtbel ontsnapte.
  3. snel drinken
    Voordat ik het wist kreeg ik een bierproeverijplank voor mijn neus met tien kleine bierglazen met verschillende soorten IPA. Deze kleine porties klokten we in een noodvaart naar binnen en ik bestelde meteen een aantal nieuwe planken proefglazen voor de hele tafel.

Etymologie

*Een klanknabootsend woord (onomatopee).

Vertalingen

Duitsblubbern, glucken, gluckern
Spaanscloquear