kloris
mannelijk (de)/ˈklorɪs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (schertsend) de man waarmee een vrouw of meisje verkering heeft"Eigenlijk was die kloris van mij iets te knap, iets te leuk, iets te gezellig," mompelde ze. "O, mijn god, wat hing ik aan die gozer. Dat was ten tijde van onze huwelijksvoltrekking zo, en het is tot aan zijn dood niet anders geworden."
- (pejoratief) slome, tamelijk domme manEen beetje optillen, zei ik, niet meteen het halve bord leeggieten, kloris, nee, dat red je niet met de keukenrol. Pak maar een dweil.
Etymologie
*van "Kloris", hoofdpersoon uit het ; de naam is vermoedelijk een verkorting van "Cornelis"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek